Het Egyptische scheppingsverhaal komt voor op een papyrus uit de late tijd, te midden van een aantal bezweringen van de boze geest Apepi, de oerslang. De papyrus werd in 1861 (of een jaar later) door Rhind uit de handen van de Britse consul in Luxor ontvangen als een gift. Mustafa Aghs had het document verkregen uit de bewaarplaats van koninklijke mummies in Deir-el-Bahari. Er zijn ook een aantal verwijzingen naar het verhaal uit de piramideteksten van Unas. Er zijn een aantal overeenkomsten met Spreuken 8:22 en volg.
In den beginne was er alleen de Heer van de Uiterste Grenzen, Neb-er-Djer, die in een vormeloos heelal, de oeroceaan Nu woonde. In dit heelal waren alle latere dingen al in beginsel aanwezig, maar zij waren nog in een staat van hulpeloosheid. Neb-er-Djer begon er naar te verlangen daar verandering in te brengen en nam daarom de vorm van de Schepper, Kheperi, aan door deze naam te uiten. De naam Kheperi wordt gespeld met de scarabee hiëroglief en deze kever was daarom heilig. Hij verwees immers naar de ene Schepper. Anders dan in latere montheïstische religies was Kheperi echter geen god die zich veel met zijn schepselen bemoeide. Hij liet dat meer over aan de goden die hij later schiep. Het eerste dat Kheperi schiep was vaste grond onder zijn voeten. Hij deed dat in On (Heliopolis), opnieuw door Orde (Maät) aan te brengen in zijn gedachten (zijn hart) en een woord uit te spreken. Daarna had hij gemeenschap met zijn eigen vuist en zo schiep hij Shu en Tefnut, de god van de droge lucht (gas, atmosfeer) en de godin van het vochtig principe (vloeistof). Zo was de eerste drieëenheid een feit.
Shu en Tefnut hadden gemeenschap en hun kinderen waren Geb, de aardgod en Nut de hemelgodin. Zolang het donker was lag Nut in de armen van Geb en zo werd het volgende godengeslacht geboren namelijk Osiris, Seth, Isis en Nephthys. Al voor zij geboren werden waren Osiris en Isis man en vrouw en zo werd ook hun zoon Horus geboren (Hoewel dat volgende andere mythes veel later gebeurde). Seth en Nephthys hadden (volgens een ander verhaal) ook een zoon, de jakhalsgod Inpu (Anubis).
Aan Osiris schonk Kheperi een bijzondere gift. Hij was van gelijke substantie als zijn overgrootvader en daarmee de vleesgeworden Schepper. (Later zou hij uit de dood herrijzen en de Redder der mensheid worden.)
Het oog van Kheperi is de zon (Ra), maar er gebeurde een ramp waardoor het licht van de zon gedoofd werd. Daarom schiep Kheperi een tweede oog, de maan, en gaf het de macht over planten, bomen en gewassen.
De mensheid, tenslotte, ontstond uit de tranen die Kheperi plengde en zij waren dus de Schepper's direkte afstammelingen, de kinderen Gods, niet een product van de aarde.