Een ECG (afkorting voor ElectroCardioGram) is een registratie van de elektrische activiteit van de hartspier. Een spiercel trekt samen onder invloed van natrium-, kalium- en calciumionen die door de celmembraan heen en weer worden getransporteerd. Het ECG is een registratie van de resulterende som van al die afzonderlijke potentialen van alle hartspiercellen samen in de tijd. Het gemeten voltage is in de orde van grootte van 1 millivolt en er zijn dus gevoelige meters en versterkers nodig; ook moet de patient stil liggen om de meting niet door de activiteit van andere spieren te storen.
Op het ECG zijn als belangrijkste elementen de p-golf, het QRS-complex en de T-golf te zien; zowel de grootte als de tijdsduur van en tussen deze elementen geven informatie, evenals de verschillen tussen metingen gedaan vanuit verschillende richtingen ten opzichte van het hart (afleidingen). Uit een ECG is ongelooflijk veel informatie te krijgen over de werking van de hartspier, met name bij ritmestoornissen. Over de pompwerking van het hart geeft het echter alleen op indirecte wijze informatie.
De Nederlandse fysicus Einthoven heeft een zeer vooraanstaande rol gespeeld bij de ontwikkeling van de elektrocardiografie.