Geschiedenis
Voor het eind van de 18e eeuw werden orkesten op verschillende manieren geleid. Soms stond de leider staande te spelen en werd Stehgeiger (staande violist) genoemd, soms werd de maat geslagen met behulp van een manshoge zware dirigeerstaf. De dirigeerstaf was in de zeventiende eeuw ingeburgerd. Het verhaal gaat dat Jean Baptiste-Lully tijdens een concert zo hard op zijn voet sloeg dat hij aan gangreen, waarmee de wond later besmet raakte, stierf. De staf werd tot ver in de negentiende eeuw gebruikt.
In het begin van de negentiende eeuw gebruikte componist en dirigent Ludwig Spohr een klein stokje om de maat aan te geven en halverwege deze eeuw was het dirigeerstokje ingeburgerd. Het was tevens een gewoonte dat componisten (Joseph Haydn, Ludwig van Beethoven) hun eigen stukken dirigeerden. Haydn deed dat vaak vanachter het klavecimbel, Beethoven stond voor het orkest. Andere componisten, zoals Weber, Franz Liszt, Spohr en Mendelssohn dirgeerden ook stukken van andere componisten.
Vanaf omstreeks 1850 werd dirigeren een beroep. Een grote dirigent die geen componist was, was Hans von Bulow. Andere grote dirigenten waren Gustav Mahler, Nikisch en Arturo Toscanini. Tegen het eind van de negentiende eeuw was het vak van dirigent uitgegroeid tot artistiek leider van orkesten.
In de twintigste eeuw werd het vak verder ontwikkeld door grote dirigenten als Willem Mengelberg, Wilhelm Furtwängler, Herbert von Karajan en Leonard Bernstein.
Voor een lijst van beroemde dirigenten, zie dirigenten.