Ontgoocheld over het culturele débacle, bij de catastrofe van 1914, ontstond een tendens onder zowel literaire als plastische kunstenaars het artistieke gebeuren brutaal en schokkend te ridiculiseren. Het Dadaïsme ontstond en zou uitgroeien als internationale beweging. Een eerste stimulans werd al gegeven door de Franse futuristische schilder Marcel Duchamp, te Puteaux in 1913, toen hij het Fietswiel op een Tabouret als kunstwerk presenteerde, met de vraag: Kan iemand werken maken, die geen kunstwerken zijn?
De beweging kwam van de grond in 1915 te Zürich, door een groep kunstenaars omheen de Roemeense dichter Tristan Tzara, met de Elzasser Hans Arp, de Duitsers Hugo Ball en Richard Hülsenbeck, de Zwitserse Sophie Taüber, de Nederlander Otto van Rees en de andere Roemeen Marcel Janco. Zij verspreidden van daaruit hun manifesten onder de puur willekeurig gekozen naam Dada, naar het honend spottend enfantiele toe.
Terzelfdertijd gingen in New York Francis Picabia, Marcel Duchamp met zijn readymades en met zijn Foutain-urinoir, Man Ray, W. Arensberg en Marius de Zayas een gelijkaardige weg op, vanuit de Galery Stieglietz en met hun tijdschrift 291. In 1917 kwam zelfs een toenadering met de Zürichse groep.
Na de eerste wereldoorlog verbreidde de beweging zich, vanuit de Zürichse groep, over West-Europa en werden Berlijn, Keulen en Parijs nieuwe centra. Hülsenbeck deed zijn werk in Berlijn, waar Georg Grosz, J. Baader en John Heartfield (Johan Herzfeld) zich bij hem aansloten.
In Keulen vond de Zürichse groep een sterk dadaïst in Max Ernst, die daar bevriend was met Arp en met Baargeld.
In Parijs ging men aanvankelijk van de literatuur uit met André Breton, die later een belangrijke rol zal spelen in het Surrealisme. Philippe Soupault, Paul Eluard en Louis Aragon waren de medespelers. Het was eerst tussen 1920 en 1922 dat de dada-exposities aan bod kwamen. Het was ook in Parijs, dat de onenigheid tussen Breton en Tzara aan het licht kwam. Toen Breton, in 1924, zijn Premier manifeste du Surréalisme uitbracht, was het meteen gedaan met het dadaïstische anarchisme.
Even terzijde werkte Kurt Schwitters in Hannover zijn Merz-collages uit. Hij hield contact met Theo van Doesburg, die in Nederland de dada-vlag hoog hield en Wat is Dada? uitgaf.
In België was dichter Paul Van Ostaijen de grote voorvechter, terwijl Paul Joostens het plastische pad bewerkte.
Ondanks de negatieve uitingsvormen en het systematisch afwijzen van enige positieve esthetiek, bleef de dadaïstische beweging niet zonder invloed op de verdere evolutie in de beeldende kunst, naar het Surrealisme toe en naar de emotionele geladenheid in het erop volgende Expressionisme.