Codex Justinianus (529)
In tijd van de Romeinen betekende het woord codex simpelweg boek en kon dus in die tijd ook een niet-juridische inhoud bevatten. Tegenwoordig wordt het echter algemeen als wetboek gezien, door de betekenis die het kreeg in het Codex Justinianus. De Codex Justinianus bestaat uit een aantal keizerlijke verorderingen (constitutiones), die voornamelijk golden ten tijde van Hadrianus. Deze werden verkregen uit de Codex Theodosianus) en enkele verorderingen die waren beschreven in particuliere werken zoals de Codex Gregorianus en de Codex Hermogenianus.
De Codex was het eerste deel van de Corpus Iuris Civilis dat gereed was op 7 april 529.
Pandectae (533)
In 530 begon een commissie aan het samenstellen van de Pandekten of Digesten. Deze commissie begon met het op schrift stellen en ordenen van de juristengeschriften, iets wat 100 jaar geleden (ten tijde van Theodosius II) ook al geprobeerd was. Ze zijn uiteindelijk uitgegeven in 533 en bevatten het werk van Romeinse juristen, en enkele andere bronnen (edicts).
Institutiones (533)
De Instituten of Elementen bestaan uit vier leerboeken, waarin de grondbeginselen van het Romeins recht overzichtelijk uiteengezet werden. Op 30 december 533 werd dit leerboek ook wetboek en verkregen de Instituten samen met de Digesten de kracht van wet. Codex repitae prelectionis (534)
De Codex werd in herziene versie opgesteld omdat na de uitvaardiging van de Digesten en de Instituten de Codex van 529 verouderd bleek te zijn. Novellae Constitutiones (534)
De Novellen zijn later toegevoegd, maar vormen officieel geen onderdeel van de Corpus Iuris Civilis'''.