Chromatografie betekent letterlijk kleuren-schrijven. Het is een wetenschappelijke analytische techniek die is ontdekt door de Russische onderzoeker Tswett in 1906. De simpelste vorm van chromatografie is de papierchromatografie. Deze vorm is eigenlijk aan iedereen wel bekend die een inktvlek op een stuk papier heeft doen ontstaan. Vooral vloeipapier of een koffiefilter werkt erg goed. Wanneer een pen een tijdje in contact met het papier gehouden wordt trekt de inktvloeistof langzamerhand het papier in, maar de kleurstoffen in de inkt reizen niet altijd met dezelfde snelheid mee. Het gevolg is dat er vaak verschillende banden met ieder een eigen kleur ontstaan.
Tswett kwam op het idee dat dat een scheidingsmethode kon opleveren, immers de verschillende kleuren vertegenwoordigen verschillende (kleur)stoffen die in de oorspronkelijke inkt in een mengsel bijeenzaten.
Het principe bleek goed te werken en op verschillende manieren toepasbaar te zijn. De reden waarom het werkt is dat er een adsorptie-evenwicht ontstaat tussen een opgeloste stof en diezelfde stof in geadsorbeerde vorm, d.w.z. vastgehecht aan de papiervezels. Hoe vaster de aanhechting hoe langzamer de stof meegesleept zal worden door het lopende oplosmiddel.
In plaats van een stuk papier kan men ook een kolom gebruiken met een pakkingsmateriaal dat meestal heel poreus is en daarom een groot specifiek oppervlak heeft. Ook het oplosmiddel kan best een andere vloeistof zijn, of zelfs een gas. De chromatografie kent daarom verschillende sub-technieken:
Een verwante techniek is de gelchromatografie; hierbij worden moleculen niet aan de drager geadsorbeerd, maar alleen vertraagd op basis van hun volume.