Charles I (19 november 1600 - 30 januari 1649) was koning van Schotland, Engeland en Ierland (27 maart 1625 – 30 januari 1649). Hij was de enige Britse vorst die ooit aan de kant werd gezet en onthoofd. Hij was een zoon van James I. Charles werd geboren in het paleis in het Schotse Dunfermline (zijn vader was op dat moment koning van Schotland, maar nog niet van Engeland). De beoogde troonopvolger was zijn oudere broer Henry, Prince of Wales (de traditionele titel van de troonopvolger). Deze stierf echter aan tyfus in 1612, en daarmee werd Charles de erfgenaam van twee tronen. In 1616 werd hij Prince of Wales.
Hij stond sterk onder de invloed van zijn vaders favoriet George Villiers, de eerste hertog van Buckingham. Deze nam hem in 1623 mee naar Spanje, op zoek naar een geschikte bruid. Dit leverde niets op omdat de Spanjaarden eisten dat Charles zich zou bekeren tot het Rooms-Katholicisme.
Toen hij de troon besteeg, werd Europa voor een groot deel beheerst door vorsten die streefden naar absolute macht, zoals de Franse koning Lodewijk XIV. Charles kende dat gedrag ook van zijn vader, en streefde dan ook hetzelfde na. Hierin werd hij echter stevig gedwarsboomd door het parlement. Er was brede oppositie tegen veel van zijn plannen, zoals het gebruik van de zogeheten Sterrekamer (Star Chamber) om dissidenten de wind uit de zeilen te nemen. Ook nam hij impopulaire belastingmaatregelen zonder goedkeuring van het parlement en voerde hij een godsdienstpolitiek die erop gericht was de Anglicaanse Kerk weer dichterbij de Roomskatholieke Kerk te brengen.
Op 13 juni 1625 trouwde Charles met Henrietta Maria de Bourbon, een dochter van de Franse koning Henry IV. Zij kregen negen kinderen (vier zonen en vijf dochters): - Charles James Stuart, hertog van Cornwall (13 maart 1629 - 13 maart 1629)
- Koning Charles II van Engeland, Schotland en Ierland (29 mei 1630 - 6 februari 1685)
- Mary Stuart, de latere echtgenote van Willem II, Prins van Oranje (4 november 1631 - 24 december1660)
- Koning James II van Engeland en Ierland/James VII van Scotland (14 oktober 1633 - 6 september 1701)
- Elizabeth Stuart (29 december 1635 - 8 september 1650)
- Anne Stuart (17 maart 1637 - 5 november 1640)
- Catherine Stuart (29 juni 1639 - 29 juni 1639)
- Henry, hertog van Gloucester (8 juli 1640 - 13 september 1660)
- Henrietta Anne Stuart, door huwelijk hertogin van Orleans (16 juni 1644 - 30 juni 1670).
Het huwelijk schijnt (blijkt) goed te zijn geweest, maar was onder de Britse bevolking niet bijster populair. De conflicten met het parlement over allerlei zaken namen toe. Dit betrof o.a. de kwestie van de Hugenoten, de willekeurig opgelegde belastingen en arrestaties. Toen het parlement meer onwelgevallige wetten wilde doorvoeren werd het door Charles ontbonden op 29 maart 1629. De daarop volgende jaren staan bekend als de 'Personal Rule' of de 'eleven years' tyranny'. Charles was hierdoor nauwelijks in staat het land te besturen zonder geregelde belastinginkomsten en moest andere middelen vinden om aan geld te komen. Een daarvan was het zogeheten 'ship money'. Dit scheepsgeld werd geheven aan inwoners van kustplaatsen, ter instandhouding van de vloot, maar werd door hem ingesteld als geldend voor het hele land.
Na de dood van Buckingham groeide de invloed van twee anderen in de regering: Thomas Wentworth, graaf van Strafford and William Laud. Laud, die aartsbisschop van Canterbury werd, droeg bij aan de overheersende rol van de staatskerk. Hij volgde hierbij de lijn van het Arminianisme, wat leidde tot conflicten met de groeiende factie van de Puriteinen.
Alles bleef echter rustig en het ging goed met Engeland tot Charles in 1637 probeerde de Schotten tot hetzelfde conformisme te brengen. Het gevolg was de herleving van het 'National Covenant' en de eerst van de 'Bishops' Wars' (bisschopsoorlogen), die voor Charles eindigde in een vernederende wapenstilstand op 18 juni 1639. Om gelden te kunnen verkrijgen voor zijn strijd tegen de Schotten riep hij weer een parlement bijeen in april 1640. Dit zogeheten 'korte parlement' wilde niet aan zijn wensen voldoen en werd ontbonden op 5 mei. Na een nieuwe nederlaag riep hij het parlement opnieuw bijeen.
Dit 'lange parlement' nam al spoedig maatregelen die de positie van Charles in gevaar brachten. Wentworth werd in staat van beschuldiging gesteld, en toen dat niet bleek te werken beschuldigd van hoogverraad en ter dood gebracht. Laud werd gevangen gezet en later ook geexecuteerd. Charles moest de ene na de andere concessie doen, zoals het afschaffen van het ship money en de Sterrekamer. Maar hij kon niet instemmen met de wet die hem het gezag over het leger zou afnemen. Deze dreiging en de aanvallen op Henrietta Maria brachten hem ertoe vijf parlementsleden te laten arresteren die hij beschouwde als leiders van het verzet. Door gewapenderhand in te grijpen in het parlement veroorzaakte hij een blijvende breuk en was hij in Londen niet langer veilig. Hij vertrok naar het noorden, terwijl de koningin naar het buitenland ging.
Beide partijen begonnen zich te bewapenen en er dreigde een burgeroorlog. Na vruchteloze onderhandelingen hees Charles op 22 augustus 1642 de koninklijke standaard. Hij vestigde zijn hof in Oxford, vanwaar uit hij het noorden en westen van het land bestuurde, terwijl het parlement de controle behield over het zuiden en oosten en over Londen. De oorlog woedde onbeslist voort in 1643 en 1644, totdat het parlement via de slag bij Naseby een overwinning wist te behalen. Daarop volgde het beleg van Oxford, waaruit Charles in april 16476 wist te ontsnappen.. Hij gaf zich over aan het Schotse presbyteriaanse leger in Newark, dat hem in januari 1647 uitleverde aan het parlement. Hij werd gevangen gezet in Holdenby House in Northamptonshire, totdat de kornet George Joyce hem in naam van het leger naar Newmarket overbracht.
In deze periode had zich een sfeer van wederzijdse verdachtheid ontwikkeld tussen het parlement en het leger, waar Charles gretig gebruik van maakte. Men begon elkaar via verschillende bijnamen uit te schelden. De parlementariers noemden de koningsgezinden ‘caveliers’, naar het Spaanse ‘cavelios’, daarmee suggererend dat zij vreemdelingen waren. De royalisten van hun kant noemden de tegenstanders ‘roundheads’, waarmee werd aangegeven dat zij tuig waren. Charles werd vervolgens overgebracht naar Oatlands en van daar naar Hampton Court. Onderhandelingen liepen op niets uit. Men probeerde hem over te halen om nar het buitenland te vluchten of desnoods naar het eiland Wight. Hij besloot tot het laatste omdat Robert Hammond, de gouverneur van het eiland, hem goed gezind leek. Dit bleek echter niet zo te zijn en Hammond zette hem vast in Carisbrooke Castle. Van hier uit bleef hij onderhandelen met de partijen en uiteindelijk bereikte hij overeenstemming met de Schotse presbyterianen, wat inhield dat hij de vestiging van het presbyterianisme zowel in Schotland als in Engeland zou toestaan gedurende een proefperiode. De royalisten kwamen in opstand in juli 1648 en de Schotten vielen het land binnen. Toen de Schotse legers tenslotte waren verslagen in de slag bij Preston groeide de druk in het leger om Charles te berechten. Dit was een nieuwigheid. Al eerder waren vorsten afgezet, maar nooit in die hoedanigheid berecht. De bedenkers van het plan meenden dat de koning moest sterven, maar zij wilden dat in alle openheid bereiken. Daarvoor moest een showproces dienen. Dit begon op 20 januari 1649. Velen uit de oppositie wilden hier niet aan meewerken, en Charles werd berecht door een illegaal parlement bestaande uit 135 leden. Het proces duurde tot 27 januari , waarna hij werd veroordeeld wegens verraad. De stemverhouding was 68 tegen 67. Sommige bronnen beweren dat de beslissende stem afkomstig was van Oliver Cromwell, die als laatste zijn stem uitbracht.
Charles werd onthoofd op 30 januari 1649. De executie werd niet toegejuicht, maar werd juist begeleid door bijna volledige stilte. Cromwell stond bij wijze van gebaar toe dat het hoofd werd teruggeplaatst op het lichaam, zodat de familie op gepaste wijze eer kon betuigen aan de koning. Charles I is begraven in Windsor Castle.
Hierna volgde een periode waarin Engeland geen koninkrijk was, maar door Oliver Cromwell als Lord Protector werd bestuurd.
Aan deze situatie kwam een einde in 1660, toen met de troonsbestijging van Charles’ zoon als koning Charles II het koningschap werd hersteld.
Henrietta Maria leefde tot 1669 en stierf in Parijs. Zij maakte nog mee dat haar dochter Henrietta Anne trouwde met de hertog van Orleans in 1661 en dat haar zoon Charles koning werd.
Deze pagina is grotendeels een vertaling en bewerking van de Engelstalige pagina. Na raadpleging van andere bronnen zullen waar nodig bijstellingen en toevoegingen worden aangebracht.