Celsius is een temperatuurschaal. Hoewel tegenwoordig de temperatuur officieel in de SI-eenheid Kelvin moet worden uitgedrukt, is graden Celsius (°C) nog steeds een veel gebruikte, en officieel toegestane, eenheid. Enerzijds omdat we er heel erg aan gewend zijn. Maar ook omdat de dagelijkse temperaturen om ons heen met deze schaal in handzame getallen worden uitgedrukt. Engelstalige landen gebruiken veelal nog de schaal van Fahrenheit (zie daar voor de omrekeningsformule). Oorspronkelijk was de Celsius gedefinieerd met twee ijkpunten:
- De temperatuur waarbij water bevriest is gedefinieerd als 0 °C.
- De temperatuur waarbij water kookt is gedefinieerd als 100 °C.
Het bereik hiertussen wordt verdeeld in 100 gelijke delen. Een graad Celsius is even groot als een Kelvin. Echter 0,00 °C komt overeen met 273,15 K, en 100,00 °C met 373,15 K. Een temperatuur in Kelvin wordt naar graden Celsius omgerekend door er 273,15 van af te trekken.
Omdat zowel het vriespunt van water als het kookpunt afhankelijk zijn van de heersende luchtdruk ontstond op termijn behoefte aan een betere definitie. Sindsdien is de schaal van Celsius gedefinieerd door de volgende twee punten:
- Het tripelpunt van water ligt per definitie bij 0,01 °C.
- Het verschil tussen twee graden is gedefinieerd aan de hand van het gedrag van een ideaal gas.
Het tripelpunt is een punt waar de drie fasen van water, gas, vloeistof en vaste stof, bij elkaar kunnen bestaan. Het tripelpunt is een vaste combinatie van temperatuur en druk. De graad Celsius is genoemd naar de Zweedse astronoom Anders Celsius (1701-1774), die deze schaal voor het eerst voorstelde in 1742. Oorspronkelijk had Celsius voor ogen dat het vriespunt van water bij 100 graden zou liggen, en het kookpunt bij 0 graden. Anderen, mogelijk Carolus Linnaeus of Daniel Ekström zagen de 0 en 100 graden liever omgekeerd.
Zie ook: thermometer