Ontwikkeling van de calculus
In 1673, bezocht Leibniz Londen. Hij werd als lid van de 'Royal Society' gekozen. Hij bracht zijn model voor een 'rekenmachine' mee. Hier zag hij een aantal van Newtons manuscripten en was erg onder indruk. Later zou dit voor de Britten nog een grote reden vormen om Leibniz van plagiaat te beschuldigen. Het is mogelijk dat hij Newtons 'de Analysi' gezien heeft, maar het is onwaarschijnlijk dat Leibniz hier veel aan heeft gehad, vanwege zijn gebrekkige kennis van de meetkunde en de analyse. Hij praatte met een aantal belangrijke personen, zoals Robert Boyle, Robert Hooke en John Pell. Pell wees Leibniz op zijn gebrekkige wiskundige kennis. Leibniz ging terug naar Parijs om hogere meetkunde te bestuderen met hulp van Huygens. Nog steeds in 1673 ontwikkelt hij zijn algemene methode om hellingen te berekenen. De drie volgende jaren doormaakt Leibniz een enorme wiskundige ontwikkeling en ontwikkelt hij de fundamentele principes van de calculus.
Leibniz' resultaten op het gebied van sommen en verschillen waren niet nieuw. Het feit dat veel van zijn kennis zelf aangeleerd was leidde vaak tot het herontdekken van reeds bestaande wiskunde. Het belangrijke van wat hij deed met sommen en verschillen was dat hij deze begrippen ging bekijken in de meetkunde. Hij bekeek wat sommen en verschillen bij krommes inhielden. Een kromme bekeek hij als een veelhoek met oneindig veel zijdes.
De verschillen werden nu oneindig klein en werden differentialen. Voor het verschil gebruikt hij het symbool (van differentia) en voor de som het symbool , wat een uitgerekte s (van summa) moet voorstellen. Analoog aan de discrete sommen volgt het dat . Maar een oneindige sommatie van eindige termen kan heel goed oneindig zijn, dus vermenigvuldigt Leibniz met en verkrijgt de oneindige kleine oppervlakte , hetgeen wel weer gewoon geïntegreerd kan worden. Merk op dat Leibniz in staat is , of de 'zijde van de veelhoek' constant te kiezen. (Zie voorbeeld verderop in dit artikel.) Omdat hij de calculus vanuit het idee van sommen en verschillen als tegengestelde operaties ontwikkelde, is het gelden van de hoofdstelling van de integraalrekening 'evident'. (Daar is het eigenlijk allemaal mee begonnen.)
De eerste publicatie van de calculus
Leibniz zat een beetje in over zijn gebruik van infinitesimalen. Omdat dit begrip niet goed gedefinieerd was, wist hij dat het veel kritiek op zou leveren. Dus in de eerste publicatie van de calculus introduceert hij als een willekeurige eindig lijnsegment. Hij publiceerde dit artikel in 1684 in de `Acta Eruditorum', een wetenschappelijk tijdschrift waar hij zelf aan meewerkte. Dit artikel draagt de lange titel: 'Nova Methodus pro Maximis et Minimis, itemque tangentibus, qua nec fractas, nex irrationales quantitates moratur, et singulare pro illi calculi genus'
Hij begint met het 'definieren' van de symbolen die hij gebruikt. Hij 'definieert' and als lijnsegmenten die hetzelfde quotient hebben als en . Leibniz zegt niet dat deze grootheden infinitesimaal zijn. Vervolgens geeft hij een aantal regels van de calculus, waaronder de productregel en de quotientregel. Hij legt uit wat het inhoud als nul of oneindig is en wat de tweede differentiaal representeert. Hierna vertelt Leibniz dat (als constant wordt gekozen) en geeft een aantal voorbeelden van deze regel, waaronder gebroken en negatieve exponenten.
Hij zegt:
- 'Het algoritme van deze calculus kennende, wat men differentiaalrekening kan noemen, kunnen alle differentiaalvergelijkingen met dezelfde methode worden opgelost.'
Dit was een beetje te optimistisch. Vervolgens legt hij uit dat zijn methode erg gemakkelijk is en veel algemener dan andere methoden. Leibniz introduceert de term transcendental. Hierna legt hij uit hoe hij een kromme ziet als een veelhoek van oneindig veel zijden, met als zijden de differentialen dv. Hij introduceert zijn notatie ':' voor vermenigvuldiging, hetgeen nog steeds veel gebruikt wordt. Na dit geeft hij een voorbeeld van een erg ingewikkelde vergelijking, om te laten zien dat zijn methode dan nog steeds werkt. Vervolgens laat hij zien hoe hij met zijn methode de formule kan afleiden voor de breking van licht wanneer het van het ene medium naar het andere gaat. We noemen, net als Leibniz, de scheidingslijn . Vanwege het principe van Fermat, is het doel om het kortste pad in de tijd van naar te vinden. Omdat en bekend zijn, zijn de punten en neergelaten op bekend. Hij noemt het punt waar het licht snijdt, en noemt , , , , en . Omdat in deze situatie de variabele is, berekent hij en in termen van :
-
-
en definieert -
waar en de dichtheden representeren van de media aan 's kant en 's kant respectievelijk. Tot nu toe was het probleem om te minimaliseren. Opnieuw laat Leibniz zien hoe gemakkelijk het probleem met zijn differentiaalrekening wordt opgelost. Hij differentieert de vergelijking en verkrijgt -
en schrijft dit als -
hetgeen equivalent is aan -
Dus concludeert hij dat de sinus van de hoek van inval gedeeld door de sinus van de hoek van uitval gelijk is aan gedeeld door .
Aan het eind van zijn artikel geeft Leibniz nog twee andere voorbeelden van het gebruik van zijn methode. Hieronder ook een oplossing van het probleem dat De Beaune voorstelde aan Descartes. Opnieuw lost Leibniz het probleem met zijn differentiaalrekening zonder veel moeite op.
Hij presenteert het artikel op een opmerkelijke manier. In het begin geeft hij een lijst met regels van zijn differentiaalrekening. Hij bewijst geen van deze regels, omdat hij zijn gebruik van infinitesimalen niet kan rechtvaardigen. In plaats hiervan geeft hij een aantal voorbeelden om te laten zien dat zijn methode werkt en zelfs prettig en gemakkelijk. Hij verkoopt zijn nieuwe techniek door problemen op te lossen die daarvoor nog niet zo gemakkelijk waren op te lossen. In plaats van zijn methode te bewijzen geeft hij een show waarin hij laat zien dat het fantastisch werkt.
Differentiaalvergelijkingen
Net als Newton, was Leibniz meer geinteresseerd in het oplossen van differentiaalvergelijkingen, dan het vinden van oppervlakten in het bijzonder. Een voorbeeld hoe hij de machtreeksontwikkeling van de sinus afleidde: (hiervoor maakt hij gebruik van de differentiaaldriehoek die hij had gezien in Pascal's werk en misschien ook in het werk van Barrow).
De differentiaaldriehoek met zijden , en is gelijkvormig aan de driehoek met zijden , en . Het volgt dat
-
en vanwege de stelling van Pythagoras
-
Het elimineren van geeft -
hetgeen, zolang , equivalent is aan -
Nu mag Leibniz nog een van zijn zijden van de differentiaaldriehoek als constant kiezen. Hij kiest constant en past zijn differentiaalrekening toe en verkrijgt -
Hij deelt de vergelijking door en schrijft het als -
Nu lost Leibniz deze differentiaalvergelijking op door aan te nemen dat geschreven kan worden als - .
Hij zag dat er geen termen met even