Enkele bouwkundige begrippen die gebruikt worden om elementen in (vaak oude) gebouwen te benoemen of een aanduiding zijn voor de stijl waarin het bouwwerk (of een element daaruit) thuishoort:
agora, in de Griekse stad van de Oudheid een centraal gelegen open plein, omgeven door openbare gebouwen en colonnaden, centrum van de politiek. Vgl. forum
akropolis, de burcht van een Oudgriekse stad, waar de belangrijkste tempels en monumenten werrden gebouwd, zoals te Athene.
akroterion, in de Griekse bouwkunst een gebeeldhouwd monument op de top en aan de hoeken van een gevel.
ambulatorium, omgang van een rond gebouw; ook de kooromgang in een christelijke kerk.
amfitheater, bij de Romeinen een rond of ovaal gebouwd theater met schuin oplopende zitplaatsen voor de bezoekers.
antefixen, ornamentale blokjes op de horizontale daklijst van een Griekse tempel, die dienden om de uiteinden van de onderste halfronde pannen te maskeren.
aquaduct, gemetseld kanaal waardoor water uit de bergen werd aangevoerd en dat boven de dalen door arcaden werd gedragen.
arcade, rij bogendragende zuilen of pijlers, vrijstaand of blind d.w.z. met de muur tot een eenheid verbonden; in het laatste geval blinde arcade genoemd.
basilica, bij de Romeinen een grote zaal voor bijeenkomsten, rechtszittingen enz. In de vroegchristelijke en latere bouwkunst een driebeukige kerk, waarvan het middenschip met vensters boven de daken der zijbeuken uitrijst.
bastion, vooruitgeschoven post in een verdedigingswerk voor waarneming en verdedigingswerk.
beglazing, de schikking van ramen in een gebouw.
belvédère, uitkijktoren of hooggelegen zomerhuis, vanwaar men een prachtig uitzicht heeft.
bema, in vroegchristelijke kerken een verhoogd vloergedeelte, meestal in de absis, bestemd voor de geestelijkheid. Uit de bema ontwikkelde zich het transept.
beuk, elk van de door pilaren gescheiden overlangse ruimte van een kerk.
borstwering, een tot borsthoogte opgetrokken verdedigingsmuur.
bouworden, stijl van zuilen en hun hoofdstel, speciaal van de vijf klassieke bouworden zoals toegepast in het oude Griekenland en Rome. De Grieken ontwikkelden de Dorische, Ionische en Corintische orde; de Romeinen voegden hier de Toscaanse orde en het composietkapiteel aan toe. Renaissancebouwmeesters namen de Romeinse modellen over en pasten hierop vele variaties toe. Het latere klassicisme hield zich strikt aan de Griekse en Romeinse voorbeelden.
brise-soleil: in de moderne architectuur vaak permanent aangebrachte draaibare schermen aan een gevelwand, om de zon te weren en het licht te temperen. Berust op dezelfde principes als de Venetiaanse jaloezieën.
brugstaven: platte staven die dienen voor bevestiging van (glas-in-lood)ramen, vaak van ijzer i.v.m. roestschade tegenwoordig van messing of brons gemaakt
entablement of hoofdgestel, het horizontale bouwdeel boven de zuilenrijen van de klassieke architectuur. Het bestaat uit architraaf, fries en kroonlijst.
pilaster: een vooral in de gevelarchitectuur van de renaissance en barok toegepaste vierkante of halfronde halfzuil in het muurwerk, voorzien van een basement en een kapiteel.
pinakel: spits toelopende bekroning in de vorm van een gotisch torentje.
piscina: reinigingsbekken soms in een nis, gebruikt voor de erediensten in kerken.
plint: voetplaat.
polychromeren: met vele kleuren beschilderd (b.v. beelden).
pseudo-basiliek: basiliek zonder vensters in de hoofdbeuk.
rib van een gewelf (gewelfrib): stenen strook tegen de onderzijde van een gewelf, die ofwel,om louter esthetische ofwel om esthetische alsook functionele redenen is aangebracht.
risaliet: een gedeelte van de gevel dat over de gehele hoogte vooruitspringt.
rococo: stijlperiode uit de 18e eeuw, gekenmerkt o.a. door een overwoekering van het ornament.
rolwerk: soort ornamentiek die in gekrulde vormen uitloopt.
Romaans: uit de periode van de Romaanse stijl (omstreeks 1000/1250), die wat de kerkbouw betreft gekenmerkt wordt door kubusachtige ruimten met rondbogen, tongewelven en dikke muren.