Tagoror  

Encyclopedie




Bouwkundige begrippen

Enkele bouwkundige begrippen die gebruikt worden om elementen in (vaak oude) gebouwen te benoemen of een aanduiding zijn voor de stijl waarin het bouwwerk (of een element daaruit) thuishoort:

Table of contents
1 A
2 B
3 C
4 D
5 E
6 F
7 G
8 H
9 I
10 J
11 K
12 L
13 M
14 N
15 O
16 P
17 Q
18 R
19 S
20 T
21 U
22 V
23 W
24 X
25 Y
26 Z

A

  • aanzet, het punt waarop een boog zijn steunpunt verlaat.
  • abacus, dekplaat van het kapiteel waarop de architraaf rust.
  • absis, apsis
  • acanthus
  • aedicula
  • agora, in de Griekse stad van de Oudheid een centraal gelegen open plein, omgeven door openbare gebouwen en colonnaden, centrum van de politiek. Vgl. forum
  • akropolis, de burcht van een Oudgriekse stad, waar de belangrijkste tempels en monumenten werrden gebouwd, zoals te Athene.
  • akroterion, in de Griekse bouwkunst een gebeeldhouwd monument op de top en aan de hoeken van een gevel.
  • ambulatorium, omgang van een rond gebouw; ook de kooromgang in een christelijke kerk.
  • amfitheater, bij de Romeinen een rond of ovaal gebouwd theater met schuin oplopende zitplaatsen voor de bezoekers.
  • angelustoren
  • antefixen, ornamentale blokjes op de horizontale daklijst van een Griekse tempel, die dienden om de uiteinden van de onderste halfronde pannen te maskeren.
  • antependium
  • aquaduct, gemetseld kanaal waardoor water uit de bergen werd aangevoerd en dat boven de dalen door arcaden werd gedragen.
  • arcade, rij bogendragende zuilen of pijlers, vrijstaand of blind d.w.z. met de muur tot een eenheid verbonden; in het laatste geval blinde arcade genoemd.
  • architraaf
  • atrium
  • attiek, lage verdieping boven de hoofdkroonlijst.
  • axiaalbouw, de aanleg van een gebouw of delen ervan symmetrisch ter weerszijden van een hoofd- of lengte-as.

B

  • baldakijn, overhuiving boven een altaar, troon of graf. Kan rusten op zuilen of neerhangen van het plafond.
  • baluster
  • balustrade
  • baptisterium, bouwwerk, dikwijls gescheiden van de kerk, waarin een doopvont is geplaatst.
  • banderol
  • barbacane, vooruitgeschoven versterking ter bescherming van de kasteelingang.
  • barok
  • basement
  • basilica, bij de Romeinen een grote zaal voor bijeenkomsten, rechtszittingen enz. In de vroegchristelijke en latere bouwkunst een driebeukige kerk, waarvan het middenschip met vensters boven de daken der zijbeuken uitrijst.
  • basilicaal
  • basiliek
  • bastion, vooruitgeschoven post in een verdedigingswerk voor waarneming en verdedigingswerk.
  • beglazing, de schikking van ramen in een gebouw.
  • belvédère, uitkijktoren of hooggelegen zomerhuis, vanwaar men een prachtig uitzicht heeft.
  • bema, in vroegchristelijke kerken een verhoogd vloergedeelte, meestal in de absis, bestemd voor de geestelijkheid. Uit de bema ontwikkelde zich het transept.
  • beuk, elk van de door pilaren gescheiden overlangse ruimte van een kerk.
  • blindarcade -> arcade
  • boogfries
  • borstwering, een tot borsthoogte opgetrokken verdedigingsmuur.
  • bouworden, stijl van zuilen en hun hoofdstel, speciaal van de vijf klassieke bouworden zoals toegepast in het oude Griekenland en Rome. De Grieken ontwikkelden de Dorische, Ionische en Corintische orde; de Romeinen voegden hier de Toscaanse orde en het composietkapiteel aan toe. Renaissancebouwmeesters namen de Romeinse modellen over en pasten hierop vele variaties toe. Het latere klassicisme hield zich strikt aan de Griekse en Romeinse voorbeelden.
  • brise-soleil: in de moderne architectuur vaak permanent aangebrachte draaibare schermen aan een gevelwand, om de zon te weren en het licht te temperen. Berust op dezelfde principes als de Venetiaanse jaloezieën.
  • brugstaven: platte staven die dienen voor bevestiging van (glas-in-lood)ramen, vaak van ijzer i.v.m. roestschade tegenwoordig van messing of brons gemaakt

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

  • oksaal: versierde afscheiding tussen koor en middenbeuk in een kerk. (Ook wel doksaal).
  • overstek: een gedeelte van een bouwwerk dat ten opzichte van het onderliggende deel vooruitsteekt.
  • oranjerie: kas of bouwwerk (met vensters op het zuiden) om niet-winterharde gewassen in te laten overwinteren.

P

Q

R

  • renaissance: stijlperiode in de 15e en 16e eeuw, gekenmerkt door o.a. realisme en klassieke motieven.
  • retabel: bovenbouw van een altaar.
  • rib van een gewelf (gewelfrib): stenen strook tegen de onderzijde van een gewelf, die ofwel,om louter esthetische ofwel om esthetische alsook functionele redenen is aangebracht.
  • risaliet: een gedeelte van de gevel dat over de gehele hoogte vooruitspringt.
  • rococo: stijlperiode uit de 18e eeuw, gekenmerkt o.a. door een overwoekering van het ornament.
  • rolwerk: soort ornamentiek die in gekrulde vormen uitloopt.
  • Romaans: uit de periode van de Romaanse stijl (omstreeks 1000/1250), die wat de kerkbouw betreft gekenmerkt wordt door kubusachtige ruimten met rondbogen, tongewelven en dikke muren.

S

  • schalk: colonnet of halfzuil als flandering van een pijler.
  • scheiboog: boog in een kerk die de middenbeuk scheidt van de zijbeuken.
  • schip: de ruimte van een kerk of kathedraal rondom het spreekgestoelte.
  • sluitsteen: middelste steen van een gemetselde boog, vaak in natuursteen uitgevoerd.
  • spaarveld: uitsparing of verdiept gedeelte in de dikte van een muurveld.
  • spant
  • steekkap: klein gewelf of kapconstructie dat in een groter gewelf of kap insnijdt.
  • stergewelf: gewelf in de vorm van een ster.
  • steunbeer: ver uitstekende muurdam of verzwaring om horizontale krachten te verdelen in het metselwerk.
  • straalgewelf: gewelf boven een veelhoekig vlak.
  • straalkapel: kapel (straalvormig) aangebouwd aan de kooromgang van een kerk.

T

  • tabernakel: versierd, meestal afsluitbaar, kastje op een altaar, waarin het sacrament wordt bewaard.
  • tamboer: ringvormige of veelhoekige onderbouw waarop een koepel rust.
  • terracotta: (latijn: gebakken aarde) ongeglazuurd aardewerk.
  • tierceron, rib in een gotisch gewelf tussen gordel- en kruisribben.
  • tongewelf: tunnelvormig (waarvan de doorsnede een halve cirkel of ellips vertoont) of Romeins gewelf.
  • Toscaans: uit de Romeinse Bouwkunst afkomstige orde, vergelijkbaar met de Dorische orde uit de Griekse Bouwkunst. De Toscaanse orde is te herkennen aan het gebruik van gladde zuilen.
  • tracering: decoratieve vulling van (b.v een Gotisch venster), kan zijn uitgevoerd in metselwerk of in natuursteen.
  • transept: dwarsschip, dwarspand van b.v een kerk.
  • travee: ruimte-eenheid, die beantwoordt aan één venster, boog of gewelf.
  • triforium: loopgang tussen de scheibogen en de vensters van de hoofdbeuk. Ook een in de muur uitgespaarde doorgang tussen de arcade van een schip en de hoge ramenreeks, of tussen de galerij en de hoge ramenreeks. Het is naar het schip toe met arcaden geopend. Er kunnen ook alleen maar blindarcaden zijn, waarachter geen doorgang loopt. Sommige schrijvers noemen de galerij een triforium.
  • triomfboog: boog tussen het schip of de viering van een kerk en het koorgedeelte.
  • timpaan (ook tympaan): driehoekige gevelplaat, vaak op zuilen geplaatst of boven vensters.

U

  • uitkraging: een in metselwerk geleidelijk verlopende overstek.

V

  • voluut: spiraal- krul- of kruisvormige versiering, veelal gebruikt ter versiering van kapitelen in de Griekse Bouwkunst. Ook op topgevels.
  • vide
  • viering: het gedeelte van een kerk of kathedraal waar dwars- en langsschip elkaar kruisen. Wordt ook wel kruising genoemd.

W

  • waaierboog: boog bestaande uit verschillende kleine cirkelvormige segmenten.
  • wenkbrauw: uitkragende decoratieve band aan de bovenzijde van een deur of venster in metselwerk of gepleisterd.
  • westwerk: blok ten westen van het schip en daarmee niet corresponderend. Vaak bevat dit gedeelte de toren(s).

X

Y

Z




Tagoror Networks: Spain  |  Philippines  |  Mexico

Los documentos de esta enciclopedia on line se publican bajo la Licencia de Documentación Libre GNU

De tekst is beschikbaar onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen, er kunnen aanvullende voorwaarden van toepassing zijn.