De federale wetgevende macht
De federale wetgevende macht wordt uitgeoefend door de Koning, de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat tesamen. (art. 36)
De Koning heeft net als beide Kamers het recht om wetsvoorstellen in te dienen. (art. 75)
De oorspronkelijke grondwet gaf de Kamer en de Senaat gelijke bevoegdheden in alle materies. Wetsvoorstellen moesten daarom vaak verschillende keren heen en weer gezonden worden tussen beide Kamers wat voor veel vertraging zorgde. De huidige grondwet beperkt de gelijke bevoegdheid van beide kamers voor bepaalde materies, opgesomd in art. 77. Voor de materies opgesomd in art. 78 krijgt de Senaat een evociatierecht, dit betekent dat de Senaat wetsvoorstellen enkel behandelt op verzoek van minimum 15 senatoren. Alleen de Kamer is bevoegd voor naturalisaties, de wetten betreffende de burgerrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid van de ministers, de begroting van de staat en de vaststelling van het legercontinent. (art. 74)
In de regel wordt elk besluit bij volstrekte meerderheid van stemmen genomen. Beslissingen kunnen enkel genomen worden wanneer meer dan de helft van de parlementsleden aanwezig zijn. (art. 53)
De Koning neemt niet deel aan de debatten over de wetten of aan de stemmingen. De Koning kondigt de wetten af eens ze gestemd zijn. De afkondiging wordt beschouwd als een verklaring dat de wet overeenkomstig de procedures totstandgekomen is.
Naast de bevoegdheid om wetten te stemmen, beschikt elke Kamer over het recht om parlementaire onderzoekscommissies op te richten. (art. 56)
De Koning en de federale Regering
De federale uitvoerende macht berust bij de Koning. (art. 37)
De grondwettelijke macht van de Koning gaat bij erfopvolging over op de natuurlijke en wettige nakomelingschap, in de rechte lijn, van Z.M. Leopold, Joris, Christiaan, Frederik van Saksen-Coburg en volgens eerstgeboorterecht. (art. 85) De huidige Koning is Albert II (2003).
Bij de troonsbestijging legt de Koning de volgende eed af: “Ik zweer dat ik de Grondwet en de wetten van het Belgische volk zal naleven, 's Lands onafhankelijkheid en het grondgebied ongeschonden bewaren.”
De Koning is als persoon onschendbaar. Zijn ministers zijn verantwoordelijk. (art. 88) De Koning kan in principe niet vervolgd worden voor zijn daden of voor de meningen die hij uit. Elke officiële handeling van de Koning moet daarom bevestigd worden door een minister, die hierdoor de verantwoordelijkheid opneemt voor die handeling.
Wordt vervolgd ...