Rond de tijd van de eerste kruistochten ontstonden vier nieuwe kloosterorden:
1.Kartuizers: kluizenaars voor gemeenschappelijke eredienst; strenge zwijgplicht; keven in afzonderlijke kluis voor gebed en meditatie; geen contact met de samenleving.
2.Cisterciënzers: iedere monnik moest ook werken op het land, de orde moest van eigen werk bestaan.. Ook voor lekenbroeders. Sobere gebouwen zonder torens itt met Cluny. Ze weden bekend als ontginners en inpolderaars.
3.Premonstratenzers: kregen zielszorg onder plattelandsbevolking, wat benedictijnen, kartuizers en cisterciënzers niet deden.
4.Norbertijnen of premonstratenzers: kapittels in kleine steden of grote dorpen vormden zich tot een kloostergemeenschap.