Arthur Seyss-Inquart (22 juli 1892 - 16 oktober 1946) was een Oostenrijkse jurist en politicus die in het begin tot de gematigde vleugel behoorde van de Oostenrijkse nazi's. In 1938 speelde hij een belangrijke rol bij de aansluiting van Oostenrijk bij Duitsland. In 1940 werd hij rijkscommissaris van Nederland. Hij had in die functie onder meer te maken met NSB-leider Anton Mussert. Seyss-Inquart's kreeg in Nederland al snel een bijnaam: Zes-en-een-kwart. Eerst probeerde hij met zachte hand de Nederlanders voor het Nazisme te winnen. Toen de oorlog langzamerhand verloren was, trad hij steeds harder op tegen het verzet. Verschillende keren heeft hij wel geprobeerd om harde maatregelen van de SS uit te stellen of helemaal te voorkomen.
Hij was verantwoordelijk voor de deportatie van meer dan honderduizend Joden naar de concentratiekampen. Hoewel hij wist van de massale jodenvervolgingen, beweerde hij tijdens de Neurenbergse processen dat als hij op de hoogte was gebracht van de vernietigingskampen, hij alles zou hebben gedaan om dit te voorkomen. Dit zei hij echter mogelijk alleen om de doodstraf te ontlopen. Bij Himmler heeft hij verschillende keren geprobeerd een einde te maken aan de jodenvervolgingen met als argument dat dit tijdens de oorlog alleen maar tot onnodig onrust leidde. Hij verzette zich niet daadwerkelijk tegen zijn superieuren.
In 1946 werd hij in Neurenberg ter dood veroordeeld wegens zijn misdaden tegen de menselijkheid. In zijn vlak voor zijn dood geschreven brieven aan zijn pater (Bruno Spitzl) legt hij hier min of meer een bekentenis van af. Literatuur
- Arthur Seyss-Inquart, Het leven van een Duits onderkoning in Nederland, H.J. Neuman (1967)