In 1967 ontstaat in Italie de Arte Povera, een schilderkunstige beweging gelijkaardig aan het meer internationale fenomeen van de Land Art of de Conceptual Art. Zowel Turijn als Rome zijn de centra voor dit verschijnsel. Mario Merz, Giovanni Anselmo, Gilberto Zorio, Alighiero Boetti, Pino Pascali en Gianni Kounellis zijn er de artiesten van.
De essayist Germano Celant legt de principes van de beweging vast en is er uiteraard de grote promotor van. Arte Povera wil een verdere evolutie van Op-art en Pop-Art en wijst zowel het tableau-object van de eerste af als de publicitaire procédés van de laatste. Het wil aansluiting zoeken evengoed bij het Amerikaanse Neo-dadaïsme als bij het Franse Nouveau Réalisme. Door het kunstwerk als product te miskennen, ontstaan kortstondige creaties in erg vergankelijke materialen en op even tijdelijke plaatsen.