De gezaghebbende Vlaams-Franse essayist-kunstenaar Michel Seuphor (pseudoniem voor Fernand Berckelaers) definieert Abstracte Kunst als volgt: " Alle kunst die terecht slechts vanuit een gezichtspunt van de harmonie, de compositie, de ordening - dan wel de disharmonie, de decompositie, de willekeurige wanorde - moet worden beoordeeld, is abstract. Hierbij nemen kleur, vormstructuren en lijnen de plaats in van het figuratieve object, zowel in de Schilderkunst als in de Beeldhouwkunst. "Absolute Kunst" en "Concrete Schildering" zijn eveneens omschrijvingen, waarmee men het absolute karakter van de Abstracte Kunst wil benaderen.
Het losmaken van de kleur bij de pogingen tot weergave van de zintuigelijk waarneembare realiteit vond al zijn oorsprong in het reactionaire Impressionisme, daarop in het meer emotioneel geladen Fauvisme en het latere Expressionisme.
Allereerste creaties naar de abstractie toe werden, tussen 1904 en 1906, al geleverd door de Franse meester Paul Cezanne, toen hij in zijn Arlésiaanse landschappen met de Mont Sainte-Victoire een onverbloemd kubistisch abstraherende toets bracht.
Tussen 1906 en 1908 presteerde de alweer Franse kunstenaar Odilon Redon zijn Paravent rouge, drie panelen vrijwel abstract beschilderd.
In 1907 bracht het Russische koppel Mikhail Larionov en Nathalie Gontcharova ons hun Rayonisme-werken.
Het was in 1908, dat de Roemeen Constantin Brancusi met zijn De kus een marmer-plstiek tot zijn uiterst eenvoudige vormen terugbracht. In datzelfde jaar bracht de Nederlanse Piet Mondriaan met zijn Rode Boom een sterk naar abstractie neigend expressionisme. Nog in dat jaar publiceerde te München]] Wilhem Wörringer zijn in Bern verdedigde doctoraatsthesis Abstraktion und Einfühlung.
De werken "Caoutchouc" van de Franse Francis Picabia en "Eerste abstracte aquarel" van de Rus Wassily Kandinsky horen tot de eerste abstracte schilderijen, tussen 1907 en 1910. De anekdote wil zelfs, dat Kandinsky viel voor de abstractie door een toevallig omgekeerd dorpzicht van zijn hand. Ook de Amerikaanse Arthur Dove kwam aan bod met enkele non-conformistische abstracte prestaties naar een lyrische conceptie van de natuur.
Omheen het Suprematisme van de Russische Kasimir Malevitch, het Constructivisme van de Nederlandse Piet Mondriaan en de Dripping van de Duitser Max Ernst presteerde men heel wat "koude" (geometrische) en "warme" (lyrische) abstracte creaties, met evenveel begripsomschrijvingen.
Het Orphisme kwam uit Frankrijk met Robert Delaunay, Francis Picabia en Frantisek Kupka. Jean Bazaine, Roger Bissière, Pierre Soulages, Auguste Herbin, Serge Poliakoff, Nicolas de Stael, Alfred Manessier, Gustave Singier, Victor Vasarely en Georges Mathieu zijn andere Franse abstracte naammakers.
Het Constructivisme van Vladimir Tatlin, het Non-objectivisme van Alexandre Rodchenko naast het Suprematisme van Kasimir Malevitch waren Russische waardevolle bijdragen.
Uit Nederland kwam het Neo-plasticisme van Piet Mondriaan en Theo Van Doesburg. Geer van Velde, Willem De Kooning, Karel Appel en Corneille werkten de abstracte kunst even lyrisch uit.
In Duitsland verdienden Hans Hartung, Fritz Winter en Ernst Nay hun abstracte sporen.
In Amerika werd abstract geschilderd door Jakson Pollock, Joseph Albers, Robert Motherwell, Ben Nicholson, Mar Tobey en Richard Mortensen.
In Italie¨ werd Alberto Magnelli bijzonder gewaardeerd.
In Engeland liet Graham Sutherland abstracte sporen na.
Ook Denemarken leverde opvallende abstracte schilders als: Bengt Lindström, Finn Pedersen, Asger Jorn en Carl Henning Pedersen.
In België kennen we Michel Seuphor, Victor Servranckx, Jozef Peeters, Gilbert Decock, Gilbert Swimberghe, Louis Van Lint, Maurits Wyckaert, Serge Vandercam en Engelbert Van Anderlecht als vooraanstaande abstracten.
In de Beeldhouwkunst waren het vooral Constantin Brancusi, Jean Arp, Naum Gabo en Antoine Pevsner die waardevolle abstracte werken leverden.